Bekendmaking
Beleidsregels aanvraag en toekenning inkomensvoorzieningen Gemeente Leiderdorp 2026
Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Leiderdorp,
Wettelijke basis voor deze beleidsregels:
- 1.
- 2.
- 3.
- 4.
Het college van burgemeesters en wethouders:
- •
- •
Vast te stellen de beleidsregels aanvraag en toekenning inkomensvoorziening Gemeente Leiderdorp 2026.
Met de wetswijziging Participatiewet in Balans veranderen verschillende regels op het gebied van werk en inkomen. Een deel van deze wijzigingen gaat over het aanvragen en toekennen van algemene bijstand en IOAW-uitkeringen. De wet regelt dit grotendeels, maar op een aantal punten hebben gemeenten beleidsvrijheid.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp (hierna: de gemeente) vindt het belangrijk om deze keuzes te verduidelijken en vast te leggen in beleidsregels.
- •
- •
- •
- •
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste begrippen in deze beleidsregels uitgelegd, zodat duidelijk is wat ermee wordt bedoeld. Zo staat de term ‘gemeente’ bijvoorbeeld voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp.
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
In deze beleidsregels worden de volgende afkortingen en begrippen gehanteerd:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
- h.
- i.
- j.
- k.
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte; werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 en de Wet basisregistratie personen.
Hoofdstuk 2. Terugwerkende kracht bij aanvragen
Vanaf 1 januari 2026 mogen gemeenten de bijstand tot maximaal drie maanden met terugwerkende kracht toekennen als individuele omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is geregeld in artikel 44, lid 5 van de wet.
Artikel 2.1 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
- a.
- b.
- c.
De wetgever heeft in de memorie van toelichting beschreven wat we onder individuele omstandigheden kunnen verstaan. Namelijk:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Er vindt altijd een individuele beoordeling plaats. De genoemde individuele omstandigheden zijn voorbeelden. De lijst is niet limitatief.
Hoofdstuk 3. Garantieknop (verkorte aanvraagprocedure)
Vanaf 1 januari 2026 mogen gemeenten gegevens uit een eerdere bijstandsverlening binnen 12 maanden opnieuw gebruiken voor een verkorte aanvraag. Dit is geregeld in artikel 44a van de Wet. De gemeente past dit toe via de Garantieknop.
De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij haar berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, opnieuw te gebruiken, wanneer:
- a.
- b.
Artikel 3.2 Beoordelen aanvraag
Voorafgaand aan het gegevensgebruik genoemd in artikel 3.1, gaat de gemeente bij een inwoner ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
- a.
- b.
- c.
Als er veranderingen in bovenstaande gegevens zijn die invloed kunnen hebben op de hoogte van of het recht op de bijstandsuitkering, moet de bijstandsgerechtigde alsnog de gewone aanvraagprocedure doorlopen.
Bij een verkorte aanvraagprocedure kan de gemeente eerder bekende gegevens opnieuw gebruiken als deze gegevens nog actueel zijn. Kleine verschillen in vermogen, zoals normale schommelingen op een bankrekening, staan het gebruik van de verkorte aanvraagprocedure niet in de weg. Alleen wanneer sprake is van wijzigingen die het recht op of de hoogte van de uitkering kunnen beïnvloeden, zoals een vermogen boven de vermogensgrens of andere substantiële wijzigingen, wordt de gewone aanvraagprocedure gevolgd.
Hoofdstuk 4. Zoekperiode jongeren
De zoekperiode van vier weken geldt over het algemeen voor jongeren tot 27 jaar die algemene bijstand aanvragen. Met deze beleidsregels maakt de gemeente gebruik van de bevoegdheid om af te zien van de zoekperiode wanneer individuele omstandigheden dit rechtvaardigen (artikel 41, elfde lid van de Wet).
Artikel 4.1 Wanneer geen zoekperiode
De gemeente legt in ieder geval geen zoekperiode op als zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
- h.
- i.
- j.
- k.
- l.
De gemeente beoordeelt of een jongere een zoekperiode opgelegd krijgt aan de hand van dit artikel. Het uitgangspunt is dat de gemeente maatwerk toepast als de gemeente dit nodig acht.
Artikel 4.1, onderdeel g: Bij schulden beoordeelt de gemeente of sprake is van probleemschulden. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer:
- •
- •
Deze voorbeelden helpen de klantmanager om te bepalen of een jongere niet in staat is de zoekperiode te overbruggen. Bij beperkte schulden zonder directe financiële gevolgen kan de zoekperiode wél worden opgelegd.
Artikel 4.1, onderdeel l: De WW kent een sollicitatieplicht. Als een jongere uitsluitend na het einde van de WW een beroep doet op bijstand, wordt aangenomen dat de jongere zich voldoende heeft ingespannen om arbeid te vinden.
Hoofdstuk 5. Harmonisatie aanvullende jongerennorm
Sinds 1 januari 2026 is de aanvulling op de jongerennorm (18-21 jaar) over het algemeen gelijk voor alle gemeenten. Het gaat om een verhoging van de algemene bijstand.
Wanneer blijkt dat dit bedrag niet voldoende is, kan de gemeente het bedrag verhogen, en andersom – als het bedrag gezien de leefsituatie van de jongere te hoog blijkt – ook naar beneden bijstellen. De totale norm (norm plus verhoging) kan nooit hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige in een gelijke situatie.
Artikel 5.1 Hoogte aanvullende jongerennorm
De hoogte van de geharmoniseerde aanvullende jongerennorm is vastgelegd in artikel 20, derde lid van de Wet. Dit is een vast bedrag. Volgens de Wet hebben gemeenten de ruimte om op individueel niveau van dat bedrag af te wijken.
De gemeente wijkt hier in de volgende gevallen van af:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
De kortingspercentages van onderdeel a tot en met c zijn gebaseerd op de basishuur uit artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag (bij geen woonkosten) en de gemiddelde Nibud-bedragen voor gas, elektriciteit en water (bij geen woonlasten).