woensdag 29 oktober 2025
Originele publicatie downloaden:
Type bekendmaking:
algemeen verbindend voorschrift (verordening)



Participatieverordening gemeente Leiderdorp 2025

De gemeenteraad van de gemeente Leiderdorp;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 juli 2025;

 

gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.2, 10.7 en 10.8 van het Omgevingsbesluit;

 

gezien de reacties uit het Politiek Forum d.d. 17 februari 2025 en de terinzagelegging conform Inspraakverordening Leiderdorp 2008 (van 28 april tot en met 11 juni 2025);

 

overwegende dat het van belang is lokale democratische processen door participatie van inwoners te verrijken, de samenwerking tussen gemeente en inwoners te versterken en helderheid te geven over de invulling van de participatieprocedure;

 

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

Participatieverordening gemeente Leiderdorp 2025

 

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

  • -

    belanghebbende: inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen of anderen met een belang als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;

  • -

    bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is (afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat ofwel de gemeenteraad, het college of de burgemeester);

  • -

    inspraak: inwoners en belanghebbenden krijgen van het bestuursorgaan de gelegenheid om hun mening over beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet, voorafgaand aan definitieve besluitvorming door het bestuursorgaan;

  • -

    inwoners: inwoners van Leiderdorp als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

  • -

    inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente het betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;

  • -

    maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités en andere organisaties die tot doel hebben een actieve bijdrage zonder winstoogmerk te leveren aan de samenleving binnen de gemeente;

  • -

    ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten;

  • -

    overheidsparticipatie: het op voorstel van inwoners en maatschappelijke partijen betrekken van de gemeente bij een idee vanuit de maatschappij, de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, daaronder ook uitdraagrecht begrepen;

  • -

    participatie: de samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners of maatschappelijke partijen, in welke vorm dan ook, daaronder ook inwonersparticipatie en overheidsparticipatie begrepen;

  • -

    participatieaanpak: een door omvang en aard van het beleid, de opdracht, project, opgave, initiatief bepaalde keuze uit verschillende participatievormen, - instrumenten en/of -activiteiten, die vormvrij wordt vastgelegd;

  • -

    rechtspersoon: een juridisch erkende entiteit, zoals een stichting, vereniging of besloten vennootschap, die zelfstandig rechtshandelingen kan verrichten, eigendom kan bezitten en partij kan zijn in juridische procedures. De erkende vormen van rechtspersonen zijn opgenomen in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • -

    uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om voor te stellen de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 2. Kaders en uitgangspunten

Artikel 2. Reikwijdte verordening

  • 1.

    Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of participatie wordt toegepast.

  • 2.

    Participatie, waaronder inspraak en uitdaagrecht wordt alleen verleend aan inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen die lokaal actief zijn of belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht.

  • 3.

    Er vindt geen participatie (in welke vorm dan ook) plaats als:

    • a.

      het om een al lopend uitvoerings- of evaluatietraject of een ondergeschikte herziening van die trajecten of het beleid gaat;

    • b.

      participatie in welke vorm dan ook wettelijk uitgesloten is;

    • c.

      sprake is van uitvoering van hogere regelgeving (bijvoorbeeld (inter)nationale wet of richtlijn) waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • d.

      het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat;

    • e.

      de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat participatie, inspraak of uitdaagrecht niet kan worden afgewacht;

    • f.

      het belang van participatie niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving;

    • g.

      het om interne en/of organisatorische aangelegenheden van de gemeente gaat.

  • 4.

    Het bestuursorgaan geeft inzicht in de gemeentelijke projecten, zodat inwoners, organisaties, bedrijven of andere belanghebbenden op tijd invloed kunnen uitoefenen.

  • 5.

    Participatie wordt niet conform dit artikel toegepast voor onderwerpen waarvoor participatiebepalingen zijn vastgelegd in landelijke wetgeving of andere gemeentelijke verordeningen of regelingen vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan.

Artikel 3. Zorgplicht bestuursorgaan

Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat:

  • a.

    inwoners en maatschappelijke partijen worden betrokken;

  • b.

    duidelijk is hoe het proces van participatie eruitziet, waar en op welke onderdelen beïnvloedingsruimte is en waar niet en welke vormen van participatie tijdens het proces mogelijk zijn;

  • c.

    de voor het proces van participatie benodigde stukken openbaar zijn;

  • d.

    tijdens het proces van participatie inzichtelijk is wat de stand van zaken is;

  • e.

    het proces van participatie zorgvuldig verloopt;

  • f.

    duidelijk is waar inwoners en maatschappelijke partijen terecht kunnen met vragen of klachten over het proces van participatie;

  • g.

    na afloop kenbaar is hoe het proces van participatie is verlopen, wat de uitkomsten waren en hoe deze uitkomsten een plaats hebben gekregen in de besluitvorming.

  • h.

    dat participatie in een zodanig stadium plaatsvindt, dat die daadwerkelijk kan worden meegewogen in de besluitvorming.

Artikel 4. Participatieparagraaf en participatiejaarverslag

  • 1.

    Het college neemt elk jaar een paragraaf in de begroting op waarin de speerpunten voor participatie in het komend jaar benoemd worden.

  • 2.

    Het college schrijft elk jaar in het jaarverslag hoe de uitvoering van deze verordening verloopt.

  • 3.

    In het jaarverslag gaat het college in op:

    • a.

      de wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd;

    • b.

      de rolinvulling door de gemeenteraad en het college. Daarbij wordt geëvalueerd of de gemeenteraad tijdig en voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn kaderstellende en controlerende rol in participatie te vervullen.;

    • c.

      de belangrijkste gebruikte instrumenten en resultaten;

    • d.

      de belangrijkste ervaringen en de aanbevelingen die hieruit voortvloeien.

Hoofdstuk 3. Inwonersparticipatie

Artikel 5. Aanpak voor inwonersparticipatie

  • 1.

    Het bestuursorgaan maakt voordat het begint met het voorbereiden, uitvoeren of evalueren van beleid, een aanpak voor inwonersparticipatie. Deze aanpak wordt gemaakt volgens het participatiebeleid dat door de gemeenteraad is vastgesteld. Daarbij wordt aangegeven op welke momenten en in welke gevallen de gemeenteraad in de gelegenheid wordt gesteld om vanuit zijn kaderstellende rol algemene aandachtspunten of randvoorwaarden mee te geven voordat het college een participatietraject start.

  • 2.

    Het bestuursorgaan maakt deze aanpak bekend op een manier die past bij de gekozen participatie.

  • 3.

    Afhankelijk van het onderwerp of beleid waarop inwonersparticipatie wordt ingezet, komen in de participatieaanpak de volgende onderwerpen aan de orde:

    • a.

      doel van de participatie;

    • b.

      beïnvloedingsruimte voor participatie;

    • c.

      de mate waarin wet- en regelgeving inwonersparticipatie voor dit onderwerp verplicht;

    • d.

      kaders voor participatie;

    • e.

      belangrijke belanghebbenden en doelgroepen van belanghebbenden;

    • f.

      participatievorm, wijze waarop en tijdvak waarin belanghebbenden hun inbreng kunnen leveren, met een verwijzing naar de participatieladder1;

    • g.

      planning;

    • h.

      de wijze waarop de uitkomsten van de participatie worden teruggekoppeld en wanneer deze opbrengsten worden afgewogen en meegenomen in besluiten (verslaglegging);

    • i.

      een onderbouwing waarom voor een specifieke participatievorm is gekozen.

Artikel 6. Inspraak

  • 1.

    Een bestuursorgaan kan in het kader van de inwonersparticipatie voor inspraak kiezen, ook als inspraak niet wettelijk verplicht is.

  • 2.

    Op inspraak is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing2, tenzij het bestuursorgaan een ander proces voor inspraak vaststelt.

Artikel 7. Ondersteuning participatie

Het college zorgt voor ondersteuning van degene die aan het proces van inwonersparticipatie wil deelnemen.

Artikel 8. Eindverslag inwonersparticipatie

  • 1.

    Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag op en maakt dit openbaar op de voor die participatieaanpak gebruikelijke wijze binnen de geldende termijn.

  • 2.

    Het eindverslag bevat in ieder geval:

    • a.

      Een beschrijving van het proces dat is gevolgd;

    • b.

      De uitkomsten van het proces;

    • c.

      Een reactie op die uitkomsten waarbij beargumenteerd is aangegeven hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast;

    • d.

      Een evaluatie van het proces dat is gevolgd. De evaluatie bevat een terugblik op de toepassing van participatie, de lessen die hieruit zijn getrokken en de wijze waarop deze lessen worden ingezet voor toekomstige participatieaanpakken.

Hoofdstuk 4. Overheidsparticipatie

Artikel 9. Verzoek om overheidsparticipatie

  • 1.

    Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een initiatief of verzoek om overheidsparticipatie indienen.

  • 2.

    Het verzoek bevat:

    • a.

      een omschrijving van de overheidsparticipatie die de indiener voor ogen heeft;

    • b.

      de reden dat de indiener het verzoek indient; en

    • c.

      het resultaat dat de indiener beoogt.

  • 3.

    De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan:

    • a.

      wat de relevante betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener is;

    • b.

      welke kosten of middelen er volgens de indiener aan het verzoek verbonden zijn;

    • c.

      bij een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht

      • i.

        hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak wil waarborgen;

      • ii.

        doel (meerwaarde voor de gemeente en relatie met actuele opgaven) dat de indiener wil bereiken met de overname;

      • iii.

        uitleg waarom of hoe de verzoeker deze taak beter en efficiënter kan uitvoeren;

  • 4.

    Randvoorwaarden voor het initiatief of verzoek zijn:

    • a.

      De indiener moet aantonen hoe hij de buurt waar het initiatief betrekking op heeft, bij het verzoek heeft betrokken en wat de uitkomsten zijn.

    • b.

      Het initiatief is inclusief en toegankelijk.

    • c.

      Het initiatief heeft geen winstoogmerk.

    • d.

      De kosten van het initiatief overstijgen niet de kosten zoals opgenomen in de gemeentelijke begroting.

    • e.

      Bij uitdaagrecht is de indiener een rechtspersoon of een georganiseerd collectief van inwoners.

  • 5.

    De indiener maakt voor het verzoek gebruik van het door het college vastgestelde formulier.

  • 6.

    Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.

Artikel 10. Ondersteuning overheidsparticipatie

Het college zorgt voor ondersteuning van degene die een verzoek om overheidsparticipatie wil indienen of heeft ingediend.

Artikel 11. Beoordeling verzoek overheidsparticipatie

  • 1.

    Het college verstuurt een ingediend verzoek tot overheidsparticipatie aan het verantwoordelijke bestuursorgaan om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.

  • 2.

    Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.

  • 3.

    Wat in artikel 2, derde lid staat, blijft ook gelden. Daarnaast wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:

    • a.

      het gaat om een taak die zich verzet tegen toepassing van overheidsparticipatie;

    • b.

      het in strijd is met het door de gemeente vastgesteld beleid;

    • c.

      het niet voldoet aan de eisen ven randvoorwaarden die in artikel 9 van deze verordening3 genoemd zijn.

  • 4.

    Het bestuursorgaan kan een verzoek om overheidsparticipatie afwijzen als:

    • a.

      het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de overheidsparticipatie niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn;

    • b.

      de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde4 ligt.

  • 5.

    Het bestuursorgaan reageert binnen zes weken op het verzoek.

  • 6.

    Het bestuursorgaan kan deze termijn met zes weken uitstellen.

  • 7.

    Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie, de onderbouwing en het besluit ten aanzien van het binnengekomen verzoek binnen veertien dagen bekend.

Artikel 12. Uitvoering overheidsparticipatie

  • 1.

    Het bestuursorgaan maakt met de verzoekers afspraken over:

    • a.

      het proces, het resultaat, randvoorwaarden en de looptijd van de overheidsparticipatie;

    • b.

      de voor de situatie meest geschikte juridische vorm;

    • c.

      het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie;

    • d.

      het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de overheidsparticipatie;

    • e.

      de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie; en

    • f.

      de evaluatie van de overheidsparticipatie.

Hoofdstuk 5 Evaluatie

Artikel 13. Evaluatie en monitoring

  • 1.

    De uitvoering van deze verordening wordt eenmaal per vijf jaar geëvalueerd. Burgemeester en wethouders zenden hiertoe telkens vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan de raad een verslag over de werking van de verordening in de praktijk.

  • 2.

    Vanaf het eerste jaar na inwerkingtreding van deze verordening vindt een regelmatige reflectie plaats, waarbij de gemeenteraad wordt betrokken, onder meer naar aanleiding van het jaarverslag als bedoeld in artikel 4.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 14. Nadere regels college

Het college kan over participatie nadere regels vaststellen.

Artikel 15. Uitzonderingsbepaling

Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in de verordening, indien strikte toepassing leidt tot onevenredige gevolgen voor betrokkenen. De afwijking wordt schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd door het bestuursorgaan.

Artikel 16. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Inspraakverordening Leiderdorp 2008 wordt ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze ‘Participatieverordening Leiderdorp 2025’.

  • 2.

    De Inspraakverordening Leiderdorp 2008 blijft van toepassing op beleid waarvoor tijdens de inwerkingtreding van deze verordening al een participatieprocedure of inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart.

Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 3.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Leiderdorp 2025.

Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van Leiderdorp op 15 september 2025,

de griffier,

mevrouw H.K.B. Fobler

de voorzitter,

mevrouw T.C.M. Struik